Wout heeft gehoord dat zijn grootvader
tijdens de oorlog gouden munten heeft begraven in zijn kelder. De
huidige eigenares, Mevr. Stam, verhuurt het huis nu aan
vakantiegangers. Dus boekt Wout met vrouw en dochter een vakantie
om de 'schat' op te graven. Maar, inderhaast heeft hij de
bovenverdieping gehuurd en daar vind je meestal geen kelder! De
kelder blijkt trouwens dichtgestort te zijn. Nachtelijk hak- en
breekwerk volgt, tot groot ongenoegen van Bram de bouwvakker, die
met ziekteverlof is en rust zoekt.
Dat Wout zijn knokkels én de waterleiding stukslaat is slechts
een bijkomstigheid in de chaos die hij veroorzaakt. Wout probeert
krampachtig de schatgraverij geheim te houden, maar de smoesjes
die hij verzint zijn wel erg doorzichtig. Dit stuk, met veel
actie, kan bijna niet goed aflopen, maar toch is er iemand die
aan het eind van de regenboog het geluk vindt.